Aan de absolute top van het moderne mannenwielrennen levert dominantie meer op dan louter sportieve controle. Ze brengt zichtbaarheid, verwachtingen en een onophoudelijke stroom aandacht met zich mee. Die realiteit werd deze week scherp verwoord door
Oliver Naesen, in een interview met IDL Pro Cycling over koersen in het tijdperk van
Tadej Pogacar.
Naesens uitspraken kwamen er tijdens een terugblik op de veranderde dynamiek van de
Ronde van Vlaanderen. De aanwezigheid van Pogacar en
Mathieu van der Poel heeft de tactische speelruimte voor de rest van het peloton fundamenteel ingeperkt.
“Met die twee aan de start valt er niet veel te dromen,” zei Naesen. “Ze beschikken ook nog eens over een wereldploeg die zich volledig opoffert.”
Volgens de Belg zijn renners die vroeger als kanshebber golden tegenwoordig al blij als ze überhaupt voor hun eigen resultaat kunnen rijden. De combinatie van collectieve macht en uitzonderlijke klasse heeft het evenwicht in het peloton verschoven.
“Dat is gewoon niet leuk”
Op de vraag of die dominantie ook de aanvalslust beïnvloedt, week Naesen uit van het puur tactische en raakte hij aan de menselijke kant van het verhaal. De positie van Pogacar aan de absolute top heeft volgens hem een prijs die verder reikt dan de koers alleen.
“We zullen pas over een paar jaar echt kunnen inschatten wat ze doen,” aldus Naesen. “Want dit houdt hij geen tien jaar meer vol. Het lijkt me ongelooflijk zwaar om in zijn schoenen te staan.”
Hij verwees daarbij naar een recent trainingsmoment dat de impact van voortdurende aandacht illustreert. “Ik zag een kort filmpje van een plaspauze tijdens training, met een fan die naar hem toestormde. Hij kon zijn broek amper weer optrekken. Dat is gewoon niet leuk.”
Een andere wereld van aandacht
Naesen plaatste Pogacars situatie in perspectief door ze te vergelijken met zijn eigen ervaringen – en die van de grootste Belgische namen. Zelfs in een land met een diepgewortelde wielercultuur bestaat er volgens hem nog altijd een verschil tussen herkenning en inbreuk.
“Bij mij kijken mensen in de supermarkt in mijn karretje en zeggen: ‘Ah, een zak chips, wat zijn we aan het doen, maat?’” vertelde hij. “Mensen boven de zestig kennen me wel, bijvoorbeeld in de trein. Dan kijken ze en zeggen: ‘Wie was jij ook alweer?’ Op een charmante en beleefde manier.”
Renners als Wout van Aert en Remco Evenepoel leven al met een veel grotere publieke belangstelling, zelfs tijdens een rustige koffierit. Maar de realiteit rond Pogacar gaat daar volgens Naesen inmiddels nog een stap verder in. “Voor hun koffieritje hebben ze praktisch een donker hoektafeltje nodig,” klonk het.