De crosswereld werd de afgelopen jaren gedomineerd door
Mathieu van der Poel, terwijl hij samen met
Wout van Aert het einde van de jaren 2010 en het begin van de jaren 2020 kleurde. Dat stond meerdere renners met eigen ambities in de weg, onder wie
Lars van der Haar, die vindt dat hij die wereldtitel misliep door de generatiegenoten met wie hij moest afrekenen.
“In eerste instantie voelt dat natuurlijk heel frustrerend. Want ja: wij zijn goed, maar zij zijn beter. Ik ben daar altijd vrij nuchter in geweest. Dus: als iemand beter is, moet je strijden en het laten zien. Prima. En dat deden zij,” zei Van der Haar in de Live Slow Ride Fast-podcast.
De Nederlander stopt volgende maand met de sport, na een rijk palmares in het veldrijden. Hij won twee Europese titels, vier nationale titels en pakte zeges in alle regelmatigheidsklassementen van het veld. Hij bereikte meer dan de meesten, maar had ook de benen om wereldkampioen te worden.
De meest uitgesproken kans was in 2016, toen hij werd geklopt door
Wout van Aert, destijds 22 jaar, die daar zijn eerste wereldtitel pakte. Dat was echter zijn eigen fout, geeft hij toe, na een mechanisch probleem in de koers terwijl hij solo voorop lag. “In 2016, in Zolder. Want het is gewoon… het is niet dat ik het daar verloor, maar wel de manier waarop ik mijn eigen kansen verprutste.”
Van Aert kwam daarna niet meer in positie om de regenboogtrui te winnen, en in het jaar dat beide tenoren ontbraken op het WK veldrijden, won Tom Pidcock in Fayetteville voor Van der Haar. Deze generatiefiguren stonden de Nederlander twee keer in de weg, al krijgt hij over twee, tweeënhalve week nog één laatste kans in Hulst. “Objectief gezien heeft het me misschien één of twee wereldtitels gekost. Weet je, als iemand beter is, moet hij starten. En dat deden ze. Zij hebben het veldrijden gedefinieerd en veranderd. Ik moest met hen meegroeien,” besloot hij.