Victor Campenaerts heeft in het profpeloton een reputatie opgebouwd als grensverlegger. Op de fiets leverde dat Uurrecord-pogingen op, eindeloze ontsnappingen en een motor die zelden leeg raakt. Ernaast betekende het blijkbaar ooit dat hij in één sessie 17 pannenkoeken verorberde.
Het verhaal dook op via
Tim Declercq in de
Stamcafé Koers-podcast, waar hij de strapatsen van zijn trainingsgroep De Melkerie oprakelde, met renners als
Yves Lampaert,
Bert Van Lerberghe, Stijn Steels – en, cruciaal, Campenaerts.
“We hebben meegedaan aan het ‘Wereldkampioenschap Pannenkoeken Eten’,” lachte Declercq terwijl hij het verhaal vertelde. “Maar na twee jaar zijn we gestopt, anders hadden we diabetes gekregen.”
Het begon onschuldig. De groep had een café in Torhout ontdekt dat onbeperkt pannenkoeken en een koffie aanbood voor €5,50. Voor de meeste klanten was die deal safe. Drie pannenkoeken, misschien vijf als uitschieter, en de uitbater draaide nog steeds winst.
Profwielrenners, echter, denken niet zoals de meeste klanten.
Zeventien pannenkoeken en tellen maar
“In het begin was het Victors idee,” legde Declercq uit. “We zeiden: ‘We gaan daarheen.’”
De cafébaas had geen rekening gehouden met de calorische behoeftes, of de competitiegeest, van een groep elite-duursporters. De pannenkoeken waren groot, benadrukte Declercq, geen kleine caféporties. “De meeste mensen aten er drie tot vijf. Daarmee kon hij zijn geld terugverdienen,” zei hij.
Campenaerts stopte niet bij vijf. “Ik denk dat Victor zeventien of negentien pannenkoeken binnenspeelde,” onthulde Declercq. “Financieel was dat waarschijnlijk niet de beste dag uit het leven van die man.”
Het getal op zich is absurd. Zelfs in een sport waar renners routinematig duizenden calorieën verbranden tijdens één training, schuift zeventien volwaardige pannenkoeken in één zit richting folklore.
Campenaerts rijdt momenteel voor Visma in Andalucia
Alles wordt competitie
Het bleef niet bij één episode. Een jaar later werd het officieuze “Wereldkampioenschap Pannenkoeken Eten” opnieuw georganiseerd. Tegen die tijd besloot de groep dat het wijs was niet naar hetzelfde café terug te keren. “We durfden niet meer terug,” gaf Declercq toe. De tweede editie vond plaats bij Van Lerberghe thuis, samenvallend met zijn verjaardag.
En, trouw aan de wielercultuur, draaide het niet langer enkel om eten. Het ging om winnen. “De eerste keer was ik niet zo goed,” zei Declercq. “Maar het jaar daarna stond ik met vijftien op het podium. Bij ons moet alles competitief zijn.”
Die zin verklaart wellicht meer dan het aantal pannenkoeken. De 17 – of mogelijk 19 – van Campenaerts was niet louter honger. Het was dezelfde mentaliteit die renners drijft om marginal gains na te jagen, intervallen tot diep in de vermoeidheid te herhalen of aan te vallen als logica om kalmte vraagt.
Voor Declercq en co was het “Wereldkampioenschap” misschien met een knipoog. Maar de reflex eronder was dat niet.
Campenaerts staat al langer bekend als een van de meest obsessieve trainers van het peloton, een renner die wil experimenteren, afzien en grenzen verleggen in de jacht op prestaties. In Torhout vond die drang gewoon een ander kanaal.
De cafébaas had het misschien niet voorzien. Maar wie Campenaerts ooit heeft zien koersen, waarschijnlijk wel.