Ik blijf met mezelf in gesprek over waar
Wout van Aert staat richting 2026. Geblesseerd is waarschijnlijk de beste omschrijving van zijn huidige situatie, maar in recente interviews klinkt hij opvallend opgewekt. Wanneer Van Aert zo positief praat over de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix, hoor je een renner die nog altijd gelooft, niet iemand die zich rustig richting de uitgang beweegt.
Dit is inmiddels het derde jaar op rij waarin een blessure zijn loopbaan buigt. Hij crashte twee keer hard in 2024, besteedde een groot deel van 2025 aan herstel, en nu, begin 2026, kampt hij opnieuw met de nasleep van een val, ditmaal in het veld. Hij is 31, heeft al zes jaar geen Monument gewonnen en rijdt in hetzelfde tijdperk als een rivaal met een al historische erelijst. De vraag is niet meer of Van Aert groot is. Natuurlijk is hij dat. De vraag is of grootheid, op dit punt, nog kan omgezet worden in de zeges die carrières definiëren.
“Altijd thuis voelen”
Hij schetst zijn situatie niet in termen van verval, en dat is veelzeggend. Gevraagd naar een link met het afscheid van Simon Yates was hij duidelijk. “Ja, ik vind het te gemakkelijk om die gebeurtenissen aan elkaar te koppelen.” Hij voegde context toe die vaak verloren gaat. “Je kunt ook zeggen dat ik nu zeven jaar in deze ploeg zit, en dat ik een heel gelukkig mens ben, goed ondersteund, en me altijd thuis voel. Dus ja, ik heb niet het gevoel dat hier extra druk wordt gelegd of zo.”
Dat is niet het vocabulaire van iemand die opgebrand of losgezongen is. Het is ook niet de taal van ontkenning. Van Aert waakt ervoor om grote conclusies te trekken, zeker wanneer het gesprek verschuift naar motivatie.
“Ik denk dat het nog steeds maar bij een paar renners is gebeurd, en er zijn ook heel veel renners die gewoon hun droomleven leiden.” Daarna maakte hij het persoonlijk. “Tenminste, vanuit persoonlijk oogpunt ben ik altijd blij als een kind wanneer ik weer op de fiets zit, zelfs al is het een zware periode of zo.”
Die woorden tellen mee in de afweging of 2026 nog een jaar van revanche kan worden. Motivatie is niet zijn probleem. Het lichaam wel.
Weer een gecompliceerde blessure…
De enkelblessure die hij opliep in het veld is niet gering, en hij probeert dat niet te verbloemen. “Het is een gecompliceerde blessure. Het is een breuk en ook een afgescheurde band.” Ook de implicaties poetste hij niet weg. “Als ik een loper was of iets anders, zou ik maanden buiten strijd zijn.” Dat is een ontnuchterende erkenning die direct bijdraagt aan de onzekerheid rond zijn voorjaar. “Hopelijk is het als wielrenner goed genoeg, maar op dit moment kan ik het je niet zeggen.”
Dit terrein is Van Aert inmiddels bekend. Hij is een renner geworden die telkens opnieuw moet opstarten, bijsturen en accepteren dat perfecte voorbereiding een luxe is die hij niet langer heeft. Zelfs zijn eigen schets van de komende weken is behoedzaam.
“De eerste twee weken blijven nog een vraagteken.” Kijkt hij naar Omloop, Strade Bianche en Milaan-Sanremo, dan is dat met een asterisk. “Zelfs nu, met die blessure, zal ik, zoals gepland, al in Omloop echt in topvorm zijn, of sta ik toch nog op achterstand?”
Wout van Aert leidt Mathieu van der Poel in de sneeuw bij de Exact Cross Mol 2026, waarna hij opnieuw valt
Voelt precies zoals rond deze tijd vorig jaar, nietwaar?
En toch is er bewijs dat het plafond er nog steeds is. In 2025 won hij in de Giro d’Italia een epische rit die iedereen herinnerde aan hoe weinig renners kunnen wat hij kan wanneer chaos en inhoud samenkomen. Later dat jaar, in rit 21 van de Tour de France, reed hij Tadej Pogacar eraf op de slotdag en won in Parijs.
Dat zijn niet de resultaten van een renner die wegzakt in irrelevantie. Van Aert zelf put kracht uit zulke momenten. “Die grote momenten… die helpen me echt om te blijven geloven, ook als niet alles goed gaat.” Hij zei het ook onomwonden. “Ik ben nu bijvoorbeeld nog steeds een van de beste wielrenners ter wereld, en er zullen momenten volgen waarop ik dat kan tonen.”
Geloof alleen wint echter geen Monuments. Het klassiekerlandschap is meedogenloos, en de concurrentie is genadeloos. Gevraagd naar zijn voornaamste rivalen, aarzelde Van Aert niet. “Ja, Pogacar, Van der Poel en Pedersen waarschijnlijk, ja.” De ondertoon is duidelijk. Mathieu van der Poel werpt zijn schaduw over elke discussie over Van Aerts nalatenschap.
Van der Poel staat op de drempel van een record-evenarende achtste wereldtitel veldrijden en heeft al acht Monuments plus een regenboogtrui op de weg. De tegenstelling is somber voor de Belg en dat is al langer zo. Van Aert wordt vaak gedefinieerd door wat hij niet won, eerder dan door wat hij wel won. Zelfs hij erkent de scheefgroei. “Het is er nog steeds, maar natuurlijk is Mathieu’s palmares wat groter dan het mijne.”
Van Aert heeft in grote rondes natuurlijk een veel grotere erelijst dan Van der Poel, maar voor het duo uit België en Nederland telt vooral het voorjaar.
Die rivaliteit is echter altijd complexer geweest dan een simpel scorebord. “De rivaliteit is altijd groter geweest voor jullie… dan voor ons.” Op de weg heeft Van Aert gelijk: koersen draaien zelden uit op een tweestrijd. Maar wanneer de geschiedenis wordt opgeschreven, tellen cijfers, en op dit moment spreken die fors in het voordeel van Van der Poel.
De emotionele last van net-niet blijft hangen. Gevraagd naar Parijs-Roubaix en de leegloper op Carrefour de l’Arbre in 2023, toen zijn aartsrivaal Van der Poel voor het eerst won, week Van Aert niet uit. “Ja, het was een grote teleurstelling.” Daarna weigerde hij, geheel karakteristiek, het te dramatiseren. “Ik ben niet echt bezig met een rijtje maken van wat de grootste teleurstelling is.” De slotsom sneed door de beheersing heen. “Maar dat was zeker een kutmoment, ja.”
Dromen van Roubaix
Roubaix blijft de as waaromheen veel van deze discussie draait. Van Aerts beschrijving van de koers verklaart waarom. “Het laatste uur van de wedstrijd is bijna meer overleven dan een echte koers.” Hij noemde het “mythisch” en zei later, zonder aarzelen: “Je zou kunnen zeggen dat het de beste wedstrijd op de kalender is.” Renners praten niet zo over koersen die ze hebben opgegeven om te winnen.
Er is ook een tactische verschuiving gaande. Zijn terugkeer naar Strade Bianche en Milano-Sanremo is geen toeval. “Dat zijn echt prachtige koersen die ik voor de rest van mijn carrière niet wil missen.” Hij kaderde het als onaf werk, niet als nostalgie. “Ik wil altijd terug naar een traditioneel programma waarin ik ook kan meestrijden voor San Remo en Strade Bianche.”
Tegelijkertijd is hij eerlijk over wat wel en niet gewerkt heeft. “In ’25 kun je eerlijk zeggen dat ik niet liet zien dat ik zoveel beter was dan in de jaren waarin ik in maart het volledige programma reed.” Die erkenning is veelzeggend. Ze suggereert dat hij niet koppig vasthoudt aan een idee dat niet rendeert.
En er valt zeker wat voor te zeggen dat Van Aert beter past bij de Italiaanse klassiekers dan bij die dicht bij huis.
Kan hij terug naar het niveau van 2022? De renner die die zomer de Tour talloze keren kleurde? Het antwoord hangt af van welke versie van Van Aert aan de start staat. Als blessures zijn opbouw blijven onderbreken, als herstelweken trainingsblokken vervangen, dan blijft het venster zich vernauwen. Dat geeft hij toe wanneer hem wordt gevraagd hoelang hij aan de top kan blijven. “Zolang ik het gevoel heb dat ik waardevol kan zijn… wil ik doorgaan.” Dat is geen belofte van dominantie; het is een intentieverklaring.
Gezinsleven, leeftijd en herhaalde valpartijen eisen hun tol, ook al verwoordt hij het niet zo. Maar er is een andere kant. Hij jaagt nog steeds doelen na, praat nog steeds over Vlaanderen en Roubaix als levende ambities, wint nog steeds ritten op de grootste dagen. Hij is niet klaar.
Of hij in 2026 nog een Monument wint, kan evenzeer van timing afhangen als van talent. Een schone voorjaarstrim, zelfs een licht imperfecte, kan volstaan als de koers goed valt. Eén leegloper, één gemiste trainingsblok, en de deur klapt weer dicht. Eerlijk is eerlijk: voor Van Aert om te winnen, moet zijn dag perfect zijn, en moeten Van der Poel en Pogacar allebei een mindere dag hebben. Dat is het slappe koord waarop hij nu balanceert.
Ik denk niet dat de hoogten van 2022 onbereikbaar zijn. Ik denk wel dat ze moeilijker te bereiken zijn dan ooit. Van Aert heeft geen marge meer. Wat hij wel heeft, is helderheid. Hij weet wat hij wil, hij weet wat pijn doet, en hij weet hoe weinig tijd er te verliezen is aan excuses. In een peloton dat zo sterk is, hoeveel historische hoofdstukken kan hij nog schrijven?