Voor alles wat
Wout van Aert al heeft bereikt in het wielrennen, blijft er in België één wedstrijd die als een schaduw over het gesprek hangt. Niet omdat zijn palmares aan kwaliteit ontbreekt, maar omdat
Parijs-Roubaix een ander gewicht heeft. Het is de koers die nog voelt als het ontbrekende stuk.
Door die lens kijkt
Johan Museeuw, een van de grote meesters van de Hel van het Noorden, naar de huidige Visma-kopman.
In gesprek met Cyclism'Actu stelde de drievoudige winnaar van Parijs-Roubaix Van Aerts klasse of staat van dienst niet ter discussie. Hij ging recht op het doel af: “Hij heeft veel koersen gewonnen, hij won op de Mont Ventoux, maar voor mij moet hij nog altijd Parijs-Roubaix winnen.”
Waarom Roubaix nog altijd apart staat
Museeuws betoog wortelt in wat deze koers van een renner vraagt. Parijs-Roubaix is niet zomaar een Monument om aan een lijst toe te voegen. In zijn ogen blijft het de zwaarste eendagswedstrijd van allemaal, een totaal ander beest dan de Ronde van Vlaanderen, ondanks de vanzelfsprekende vergelijkingen tussen beide.
Zoals hij het verwoordde: “Als je Pogacar heet, is het gemakkelijk om Parijs-Roubaix te winnen, zelfs voor Van der Poel. Het is de moeilijkste eendagskoers. Ze is anders dan de Ronde van Vlaanderen. De afstand is hetzelfde, maar er zijn meer kasseien, 65 km kasseien. En in de Ronde van Vlaanderen liggen de kasseien op korte hellingen, dat is iets anders dan in Parijs-Roubaix waar de sectoren langer zijn.”
Dat is wat Van Aert steeds weer in dit gesprek trekt. Zijn veelzijdigheid staat buiten kijf. Hij wint op uiteenlopende terreinen en in verschillende disciplines, en weinig renners van zijn generatie kunnen de breedte van zijn succes evenaren.
Maar Roubaix is de koers die alles terugbrengt tot duurzaamheid, koersinzicht en pure weerbaarheid. Museeuw weet dat als geen ander, en zijn oude adagium kadert de wedstrijd nog altijd beter dan welke analyse ook: “Parijs-Roubaix lacht niet altijd de sterkste toe, maar wel de meest weerbare.”
Niet alleen Belgische hoop, maar ook Belgische verwachting
Wat Museeuws woorden extra gewicht geeft, is dat hij dit niet als een persoonlijke wens brengt. Hij verwoordt iets veel breders. In het moderne wielrennen is het gemakkelijk om de rivaliteit tussen Pogacar en Van der Poel elk gesprek over Roubaix te laten domineren, en Museeuw erkent dat zelf.
“Als men zegt Pogacar of Van der Poel, is het gemakkelijk,” zei hij, om daarna de focus terug te leggen bij Van Aert en het nationale gevoel rond hem: “Ik hoop voor België en vooral voor hem, dat Wout van Aert een Classic als Parijs-Roubaix wint, want hij heeft voorlopig maar één Monument gewonnen, Milaan-Sanremo.”
Daar zit de kern. Van Aert wordt hier niet neergezet als een renner zonder statuur. Hij wordt voorgesteld als een renner wiens talent en brede succes België doen verlangen naar een kassei-Monument dat in verhouding voelt met de rest van zijn carrière.
De koers ligt open, zelfs met de grootste namen vooraan
Museeuw romantiseert de opdracht niet. Hij weet precies waar Van Aert zondag tegenop bokst. Pogacar heeft deze lente al laten zien dat hij zelfs de grootste koersen naar zijn hand kan zetten, en Van der Poel blijft de maatstaf op dit terrein tot het tegendeel wordt bewezen.
Dat maakt hij duidelijk wanneer hij het over de Sloveen heeft: “Hij heeft bijna elke koers gewonnen dus het is geen verrassing als hij Parijs-Roubaix wint. In deze wedstrijd wordt het voor hem ingewikkelder om Van der Poel, Pedersen, Van Aert en misschien een outsider te kloppen.”
Dat laatste punt is belangrijk. Roubaix, in tegenstelling tot veel andere topkoersen, houdt zich zelden netjes aan een hiërarchie. Museeuw onderstreepte dat ook, met de herinnering dat “In Parijs-Roubaix er altijd een outsider is, door een vlucht, door alles of niets.” Precies die instabiliteit houdt de koers levend voor meer dan alleen de twee evidente namen.
En de manier waarop tegenwoordig gekoerst wordt, verscherpt die onzekerheid. Museeuw wees erop hoe veel eerder renners nu al de knuppel in het hoenderhok gooien, en legde uit: “Nu wordt er van ver aangevallen, dus Mons-en-Pévèle, Moulin de Vertain, Carrefour de l’Arbre, er zijn veel sectoren waar je kunt aanvallen, dus het is aan hen om te beslissen, niet aan ons.” Dat geldt voor Van Aert net zo goed als voor anderen. In een koers die vroeg kan openbreken, ligt de kans om het verloop te bepalen er, als de benen het toelaten.
Nog altijd onverminderd een man om in de gaten te houden
Hoezeer hij ook de Belgische hoop benadrukt, Museeuw spreekt niet over Van Aert als een outsider die op een mirakel aast. Hij plaatst hem nog steeds in de absolute top. Zijn eigen podiumvoorspelling was veelzeggend: “Voor mij wordt het Pogacar, Van der Poel en Van Aert, maar het kan ook Van der Poel voor Pogacar zijn, en het kan ook, en dat hoop ik voor België, Van Aert, Pogacar, Van der Poel zijn, het hangt een beetje van de koers af.”
Die prognose vangt de spanning rond Van Aert perfect. Hij staat er dicht genoeg bij dat niemand van een nieuwe podiumplek zal opkijken, en is goed genoeg dat winst nooit onzinnig zou zijn. Toch start hij Roubaix in met het gevoel dat dit het Monument is dat móét gebeuren, de uitslag die een gesprek zou afsluiten dat maar niet weggaat.
Daarom komen Museeuws woorden aan. Het is niet louter lof, en het is geen nostalgie van een Belgische legende. Het is een reminder dat Parijs-Roubaix nog altijd een unieke plaats in de sport inneemt, en dat winst voor een renner als Van Aert meer zou betekenen dan simpelweg een extra regel op een toch al fonkelend palmares.