Het debat na de
Ronde van Vlaanderen 2026 blijft nazinderen, maar de blik verschuift al naar wat volgt. Terwijl
Mathieu van der Poel zich opmaakt om
Tadej Pogacar opnieuw te bekampen in de
Parijs-Roubaix van dit weekend, blijft zijn keuze om in België met de Sloveen samen te werken de gemoederen verdelen, en rijst de vraag hoe hij het volgende hoofdstuk van hun rivaliteit moet benaderen.
Voormalig prof Moreno Moser geeft nu een genuanceerdere uitleg voor die keuze, niet louter als een tactisch besluit, maar als iets wezenlijk menselijks.
“In het commentaar heb ik de situatie gewoon beschreven, omdat ik er ook een beetje tussenin zit,”
zei Moser in gesprek met Bici.Pro. “Van der Poel werkt omdat hij zich niet minder wil voelen. Niet werken zou betekenen dat hij toegeeft dat hij minder is.”
Die analyse raakt de kern van de controverse in Vlaanderen. In een koers waarin Pogacar uiteindelijk de sterkste bleek op de Oude Kwaremont, ging het niet alleen om de vraag of Van der Poel kon winnen, maar ook of hij bereid was te koersen op een manier die suggereerde dat hij dat niet kon.
Trots, druk en het Pogacar-probleem
Op het eerste gezicht lijkt de kritiek eenvoudig. Door mee tempo te rijden hielp Van der Poel een ritme te bewaren dat Pogacar lag, waardoor de Sloveen zijn intussen vertrouwde beslissende aanval vanuit controle kon lanceren. Analisten en ex-renners schetsten alternatieven, waarin het doorbreken van de samenwerking de deur had kunnen openen voor achtervolgers om terug te keren.
Moser ziet die mogelijkheid ook, maar noemt het geen fout. “Als Van der Poel niet had gereden, had hij Pogacar misschien geïrriteerd en had Evenepoel mogelijk kunnen terugkeren en zelfs aanvallen,” legde hij uit. “Andere dynamieken hadden kunnen ontstaan. Door wél te werken creëer je het scenario waarin de sterkste simpelweg overleeft. En omdat de sterkste Tadej was, dan ja…”
Dat theoretische alternatief kent echter zijn eigen risico. “Je moet ook bedenken dat als je stopt met rijden, je het risico loopt er bij de eerste versnelling af te moeten,” voegde Moser toe. “Als je slim gaat doen, niet werkt en dan toch verliest, sta je er slecht op.”
Er was ook een directe kost aan het pad dat Van der Poel koos. “Door met Pogacar samen te werken, verbruikte Van der Poel de energie die hij nog had, en dat betaalde hij op de Kwaremont.”
Het is een dilemma dat steeds bekender wordt in koersen met Pogacar. Zijn vermogen om herhaaldelijk op hoge intensiteit te gaan, heeft in veel gevallen de tactische variatie teruggebracht tot een smalle band met elk zijn eigen risico.
Een koers bepaald door kracht meer dan door strategie
Er zit nog een ongemakkelijker laag in de discussie. Ondanks de focus op tactiek suggereert Moser dat de uitkomst in Vlaanderen grotendeels vooraf bepaald was door fysieke verschillen in plaats van strategische finesse. “Als Vlaanderen op Zwift was gereden, was de uitslag dezelfde geweest,” zei hij. “Als je de watt per kilo had gemeten, kreeg je dezelfde volgorde, of er heel dicht bij.”
Die inschatting sluit aan bij een groeiend gevoel in het peloton. Pogacars prestaties in de kasseiklassiekers leverden niet alleen resultaten op, maar veranderden ook de manier waarop die koersen worden aangevat. Klassieke ideeën als in het wiel zitten, ritme breken of allianties forceren zijn moeilijker uit te spelen wanneer één renner desnoods gewoon wegrijdt.
In die context wordt Van der Poels keuze minder een fout en meer een begrenzing. Hij committeerde zich, gebruikte de benen die hij had en bereikte het beslissende moment in de overtuiging dat hij zijn rivaal kon volgen. “Vergeleken met vorig jaar hield hij het veel beter vol op de Kwaremont,” zei Moser. “Hij kwam op het sleutelmoment aan, overtuigd dat hij niet gelost zou worden. En zelfs Pogacar moest heel diep gaan om hem te lossen.”
Er zat ook praktische logica achter het niet laten resetten van de koers. “Iedereen die ik heb gelost zit erachter — waarom zou ik ze terugbrengen?”
Waarom Parijs-Roubaix de rekensom verandert
De blik gaat nu naar wat komt. De Parijs-Roubaix van dit weekend biedt een ander soort uitdaging, die tactische opties kan heropenen die in Vlaanderen dicht zaten. “Ik denk dat hij Roubaix wint,” zei Moser over Van der Poel. “Misschien lost hij hem niet op de kasseien, maar in een sprint is hij superieur.”
Dat geloof wortelt in het karakter van de koers. Waar Vlaanderen steeds vaker beslist wordt door explosies op hellingen zoals de Kwaremont, biedt Roubaix een langere, chaotischere test, waar positie, uithoudingsvermogen en materiaalpech een rol spelen. “Hoe sterk je ook bent, het is moeilijker om renners uit het wiel te rijden,” verklaarde Moser. “Roubaix is 150 kilometer spanning. Het is een andere koers.”
Het is ook een koers waar het tactische plaatje minder rigide is. Meer renners blijven doorgaans langer in koers richting de finale, waardoor samenwerking, aarzeling of opportunisme meer gewicht kunnen krijgen.
De beslissende keuze die nog moet vallen
Zo blijft voor Van der Poel dezelfde vraag overeind, maar in een nieuwe setting. Koerst hij Pogacar op dezelfde manier, vol commitment en vertrouwen in zijn kracht? Of leunt hij in op de onzekerheid van Roubaix en zoekt hij de verstoring die in Vlaanderen vooral theoretisch bleef?
Mosers analyse suggereert dat het antwoord opnieuw meer uit het gevoel dan uit de rekenmachine zal komen. “Hij is waarschijnlijk erg trots, en trots kan soms een zwakte zijn in plaats van een kracht.”
In een rivaliteit die steeds meer draait om kleine verschillen en overmacht, is de moeilijkste beslissing misschien niet hoe je Pogacar klopt, maar hoeveel risico je bereid bent te nemen om het te proberen.