“De koersen die ik als sprinter kan winnen, heb ik gewonnen” – Tim Merlier suggereert verschuiving in doelen, met Milaan-Sanremo, Gent-Wevelgem en Parijs-Roubaix in het vizier

Wielrennen
vrijdag, 02 januari 2026 om 13:00
merlier
Het voorbije decennium werd Tim Merlier vooral door één ding gedefinieerd: snelheid. Meedogenloze, herhaalbare, wereldklasse-snelheid die in één seizoen 16 zeges opleverde en zijn status bevestigde als een van de meest gevreesde afmakers van het peloton.
Achter dat succes rijpt intussen een stille herevaluatie. Geen onvrede, wel perspectief. Merlier jaagt niet langer op bewijs van wat voor sprinter hij is. Hij vraagt zich eerder af wat er nog meer mogelijk is. “De koersen die ik als sprinter kan winnen, die heb ik gewonnen,” zei hij in gesprek met Sporza. Die uitspraak is geen berusting. Het is een herijking.

Wanneer een tweede plaats meer zegt dan zestien zeges

Als je Merliers seizoen puur op cijfers beoordeelt, is het verhaal eenvoudig. Zestien overwinningen spreken voor zich. Toch blijft het resultaat dat het scherpst in zijn geheugen gegrift staat geen van die zeges, maar een tweede plaats in Gent-Wevelgem, nu officieel In Flanders Fields. From Middelkerke to Wevelgem.
De context telt. Hij kwam daar aan na een zware val in Brugge–De Panne, dichtgenaaid en onzeker of starten überhaupt realistisch was. Hij koerste niet op gevoel of dominantie, maar op karakter. “Ik zat eigenlijk niet in de koers, maar ik bleef doorbijten en won de sprint om de tweede plaats. Die plek voelde als een overwinning.”
Het is een veelzeggende bekentenis. Voor een renner die succes gewend is te meten in zuivere sprints en geheven armen, stond dat moment voor iets anders. Uithoudingsvermogen. Geloof. En het besef dat bepaalde koersen een beloning bieden die verder gaat dan het uitslagenblad. “Gent-Wevelgem is een onderschatte koers,” zei Merlier. “Veel renners denken dat het een sprinterskoers is, maar ze gaat vroeg open en valt daarna nooit meer echt stil.”

Waarom de klassiekers blijven trekken

Merlier is realistisch over wat er nodig is om Gent-Wevelgem echt te winnen. Hij maakt er geen lot of bestemming van. “Ik heb een sprint uit een kleine groep nodig en wonderbenen. En dan moet ik nog altijd goed gepositioneerd zitten.”
Die nuchterheid strekt zich uit tot zijn blik op de voorjaarsmonumenten in het algemeen. Milano-Sanremo, bijvoorbeeld, blijft volgens hem voorbij de praktische grenzen van een pure sprinter in het moderne peloton. Hij wil niet gokken met extreme trainingsaanpassingen die zijn grootste wapen zouden afstompen. “Ik geloof nog altijd in het principe dat ik een pure sprinter wil blijven,” zei hij. “Met het huidige peloton is Milano-Sanremo onmogelijk.”
Parijs-Roubaix is anders. Brutaal, onvoorspelbaar, evenzeer bepaald door positie en overleven als door pure wattages. Het is een koers die voor hem nog nooit echt in de plooi viel, maar die in zijn hoofd blijft rondzingen. “In Parijs-Roubaix is het nog nooit in elkaar gevallen om voor een resultaat te rijden, maar in mijn hoofd is het tijd om dat te laten gebeuren.”
Niet om te winnen, benadrukt hij. Om mee te doen. Om iets tastbaars over te houden aan een koers die steeds meer onaf voelt.

Late bloei en de vrijheid die dat geeft

Merliers carrièreverloop speelt mee. Hij kwam laat voluit op de weg, bouwde zijn reputatie gestaag op en begon pas grote zeges te stapelen toen de basis stond. Die late bloei bepaalt hoe hij de slotfase van zijn loopbaan benadert. “Ik ga geen grote stappen meer zetten, maar babystapjes wel,” zei hij. “Ik hoop dat ik nog beter kan worden als sprinter. Daar werk ik elk jaar aan.”
Die babystapjes draaien niet om zichzelf heruitvinden. Ze gaan om duurzaamheid. Zijn sprint scherp houden, met ruimte voor een occasionele afwijking in ambitie, of dat nu Gent-Wevelgem is of dieper gaan in Parijs-Roubaix.
Het gaat ook om waardering. Opnieuw genomineerd worden voor de Velo d’Or, ook al woonde hij de uitreiking niet bij, dwong een moment van reflectie af. “Je beseft dat je iets hebt neergezet in je carrière,” zei Merlier. “Soms moet je even stilstaan bij wat je gedaan hebt. Maar je beseft ook dat het zo gedaan kan zijn. Dus moet je er meer van genieten.”

Vooruitkijken zonder het einde te forceren

Onder contract tot 2028 heeft Merlier zichzelf al toegelaten iets verder te kijken. “Ik zou graag prof blijven tot 2030,” zei hij. “Dat lijkt me een mooie leeftijd om te stoppen.”
Er spreekt geen haast uit zijn woorden. Geen laatste-kans-verhaal. Eerder rust. Hij voelt zich nog competitief. Hij blijft nieuwsgierig. En cruciaal: hij gelooft dat zijn sprint niet is afgevlakt.
Of die toekomst nu een perfecte voorjaarsklassieker omvat, een langverwacht resultaat in Parijs-Roubaix, of gewoon meer dagen waarop hij doet wat hij beter kan dan bijna iedereen, Merlier lijkt tevreden met het evenwicht dat hij heeft gevonden.
Hij heeft bewezen wie hij is als sprinter. Nu verkent hij, in stilte, wat er nog meer kan passen.
Claps 0bezoekers 0
loading

Net Binnen

Meest Gelezen

Loading