Tom Pidcock begon het seizoen sterk, met podiumplaatsen in tal van koersen; een zege in Milano-Torino en slechts geklopt door Tadej Pogacar in Milano–Sanremo. Zijn voorjaar leek op weg naar een groot succes, maar het had bijna een abrupt einde op etappe 5 van de
Volta a Catalunya, waar hij in een ravijn belandde. De Brit keert binnen enkele dagen terug in koers, maar onthult intussen de indrukwekkende details van zijn val en blessures, en hoe hij daar zo snel van herstelde.
Die dag in de Pyreneeën, met aankomst in La Molina, gingen ook João Almeida en meerdere renners onderuit op de technische afdaling van de Collada Sobirana, de voorlaatste klim. Op papier leek de passage weinig problemen te geven, maar het tegendeel bleek waar. Pidcock schoot een ravijn in nadat hij een bocht misrekende terwijl hij dronk. De val was onvermijdelijk, zo ziet hij het zelf.
“Ik zag een hekken, maar besloot daar niet voor te gaan omdat ik dacht: ‘dan schiet ik de berg af, de leegte in’. Dus mikte ik op een boom — het was eigenlijk niet meer dan wat takken,” blikt Pidcock terug in een interview met
The Athletic.
“Ik kwam neer en voelde meteen dat mijn arm niet kon bewegen. Mijn been voelde dood aan. En ik dacht: niemand anders is gevallen. Ik lag daar alleen tegen de helling, ik wist niet wat ik precies had omdat alles pijn deed en ik niet kon bewegen. En ik wist niet hoelang ik daar zou blijven.”
De details schetsen een opmerkelijk verslag van een val die niet in beeld kwam. Zonder motor- of helikopterbeelden was Pidcock plots uit koers verdwenen. Kort erna werd duidelijk dat hij gevallen was, en ondanks de pijn reed hij de etappe uit, die eindigde bovenop een klim van 16 kilometer.
“Gelukkig kon ik, door hoe ik lag, via de radio doorgeven dat ik eraf was. Maar de ploegleiderswagen was al een kilometer verder. Na een paar minuten, die als een half uur voelden, kon ik weer bewegen. Toen ben ik omhoog geklommen.”
Ernstige blessures vastgesteld
Het zette abrupt een punt achter een uitstekend voorjaar waarin zijn vorm perfect leek. “Ik denk dat dat deels is waarom ik viel: ik ging zó goed. Ik was net iets te zelfgenoegzaam. Het was de eerste echte bergetappe van het jaar en ik voelde me top. Iedereen daalde de hele dag nerveus en matig af. Dus liet ik een gaatje om mijn eigen tempo te rijden, wat te drinken, een gel te nemen,” legt hij uit. “Als iedereen gespannen raakt, helpt het als ik kalm blijf. Dan blijft het erachter ook rustig, en komen we veilig beneden zonder dat iedereen om posities vecht voor de slotklim.”
“En toen ging ineens alles tegelijk mis. Ik misrekende mijn snelheid, probeerde af te remmen en begon te glijden, verloor mijn balans. Ik probeerde snelheid te minderen via het gras — en vloog zo de weg af. Een heel vreemde val die waarschijnlijk niet had hoeven gebeuren, maar ik was misschien net iets te relaxed.”
“Eigenlijk voelden mijn benen niet zo slecht. Het waren mijn hand — die nog steeds gekneusd is — en mijn elleboog en schouder. Dat deed echt pijn. En ik dacht: ‘Dit kan niet kloppen.’ Maar ik dacht ook: als ik de etappe uitrijd, heb ik opties om door te koersen met een pijnlijke arm. Uiteindelijk bleek dat wel mee te vallen — maar mijn knie had behoorlijk serieuze schade. De volgende dag zwol die op als een ballon.”
De echte gevolgen voelden dus niet meteen, maar pas de dag erna. Hij startte de zesde etappe niet en de schade werd duidelijker. Vooral zijn knie, die inmiddels fors gezwollen was, bezorgde hem de meeste problemen.
Pidcock liep een scheurtje in het scheenbeen op, maar de uitgebreide diagnose van het been omvatte — naast kneuzingen — letsel aan de ALL en MCL en een verrekking van de LCL. Hij ontliep een breuk in de knie zelf, maar de impact was fors, wat ook meteen duidelijk was.
Wonderbaarlijke rentree na enkele weken
Pidcock, van nature een klassiekerrenner, leek niet alleen de Volta a Catalunya te missen, maar ook de Ardennenklassiekers, waar hij in het verleden excelleerde en verwacht werd kopman te zijn bij Pinarello Q36.5 Pro Cycling Team. “De eerste scans zagen er veel slechter uit dan wat na een paar dagen zichtbaar werd. Men zegt dat een MRI vlak na een val op een Picasso lijkt; je moet wachten tot de boel kalmeert.”
“Ik ging langs bij een specialist in Barcelona en die vroeg meteen naar mijn programma voor de hele zomer. Hij dacht echt dat het serieuzer zou zijn door de bandletsel — de MCL die ik had gescheurd, als die knapt, kun je niks — maar zoals het was, moest ik vooral afwachten tot het beter werd.”
En dus wachtte Pidcock, zonder iets te doen. “Ik haat niksdoen, het is lastig. We probeerden na een week weer even te fietsen om de benen los te draaien, maar dat maakte het eigenlijk erger. Ik dacht alleen maar: ‘je hebt het niet onder controle’.” Daarna zette de verbetering snel in en kon hij kort daarna weer op de fiets. Al zal hij vermoedelijk niet meteen zijn topvorm hebben, de ploeg acht zijn terugkeer in koers wel verantwoord.
“In feite sta ik na drie, vier weken alweer aan de start. Geen einde van de wereld — maar ik heb wel een nieuw perspectief gekregen op echt geblesseerd zijn. Toen ik mijn sleutelbeen brak, liep ik na vijf dagen alweer op de weg, dat was simpel. Dit is niet echt een wielrennersblessure, maar het is ook mijn geluk dat ik wielrenner ben. De trapbeweging gaat prima, maar draaien, zoals in andere sporten, zou meer problemen geven.”
Rentree in de Tour of the Alps en focus op Luik-Bastenaken-Luik
Die rentree komt in de Tour of the Alps, vanaf maandag, met een vijfdaags parcours door de bergen van Noord-Italië en ook Oostenrijk. De koers is van nature vrij zwaar, maar omdat Pidcock nog mikt op Luik-Bastenaken-Luik, dient deze week om het wedstrijdritme terug te vinden, met oog voor het grotere plaatje: zijn terugkeer naar de
Tour de France.
“Het is nu een goede kans om nog een koers met serieuze beklimmingen te doen. Hoe meer van dit soort wedstrijden ik rijd, hoe meer het me vormt als renner richting Grote Rondes en presteren in het hooggebergte. Ik denk ook dat het een schop onder m’n kont wordt om in vorm te raken voor Luik. Het kan mislukken, ik kan helemaal kapot zitten, maar er is niets te verliezen.”
Hij kiest er daarmee voor om de nerveuze, explosieve klassiekers als Amstel Gold Race en Flèche Wallonne, die eerst op zijn programma stonden, te laten schieten. Dat kan tegelijk extra aandacht naar de midweekse rittenkoers trekken. Wat hij daar kan klaarspelen, zal pas in de loop van de week duidelijk worden.
“Er zijn veel onbekenden. Ik voel me eigenlijk best goed op training, maar dat is maar één kant van het verhaal. Misschien heeft de rust me goed gedaan, maar als je zo lang niets doet — wij trainen normaal zoveel — dan zakt het snel weg. Tegelijk is de reden dat we gaan koersen dat ik me beter voel dan we hadden verwacht.”