Er zijn prestaties die koersen winnen, en prestaties die onze kijk op een atleet veranderen. Wat
Tadej Pogacar op de Tourmalet deed, hoort duidelijk bij die tweede categorie. Het was niet zomaar een etappezege in de
Tour de France. Het was zo’n overweldigend machtsvertoon dat het een vraag oproept die verder reikt dan wielrennen: kijken we naar de beste atleet ter wereld? En, als we het debat oprekken, mag hij nu al meepraten over de grootste atleet aller tijden?
De
Tour de France lijkt, behoudens een grote verrassing, zo goed als beslist. Jonas Vingegaard, de enige renner die de voorbije jaren het Sloveense overwicht kon uitdagen, lijkt niet meer op dat niveau. Hij hield zich op de Tourmalet redelijk staande, maar toonde elders opnieuw zijn tekort ten opzichte van Pogacar: hij verloor extra tijd in de afdaling en op het vlakkere, snellere deel van de etappe. Precies daarin schuilt de grote verschuiving die we zien.
We hebben het niet langer alleen over de beste klimmer ter wereld. Ook niet louter over de beste klassiekerspecialist. We hebben het over een renner die vrijwel elk facet van de sport beheerst. Hij klimt beter dan wie ook, daalt beter dan zijn directe rivalen, rijdt met enorme macht over het vlakke en behoudt bovendien een explosiviteit en uithoudingsvermogen die maar weinigen kunnen evenaren. Zelfs renners met een uitzonderlijke versnelling kunnen zijn wiel niet houden wanneer hij aangaat. Dat maakt voor de rest van het peloton elke koers tot een overlevingsstrijd.
Het is waar dat Mathieu van der Poel hem op bepaalde Monumenten nog kan uitdagen, zeker waar de koers minder fysiek selectief is, en dat Parijs-Roubaix een wedstrijd blijft waar de Nederlander met een streepje voor start. Maar zelfs daar heeft Pogacar al laten zien dat hij man-tegen-man mee kan. In bijna elke andere context is hij de uitgesproken favoriet. Daarom hoort dit debat niet meer exclusief bij het wielrennen.
In het huidige sportlandschap is een vergelijkbaar niveau van dominantie lastig te vinden. In het voetbal zien we niet meer de beste versie van Messi. In het basketbal blijft LeBron James een legende, maar niet meer in zijn atletische prime. In het tennis delen Carlos Alcaraz en Jannik Sinner een prachtige rivaliteit juist omdat geen van beiden de ander duidelijk overheerst. In de Formule 1 zijn zelfs de meest dominante kampioenen altijd deels afhankelijk van hun auto. Pogacar wekt daarentegen het gevoel dat zijn superioriteit in hemzelf besloten ligt.
Dat is buitengewoon moeilijk in de moderne sport, waar fysieke, technologische en wetenschappelijke gelijkwaardigheid onder de topteams elk jaar strakker wordt. De volgende vraag is nog lastiger: kan hij de grootste atleet uit de geschiedenis worden?
Tadej Pogacar heerst over de huidige Tour de France
Een bot antwoord zou een vergissing zijn. Tijden vergelijken is altijd oneerlijk. Contexten veranderen, voorbereiding evolueert en sporten transformeren. Het heeft weinig zin Eddy Merckx, Michael Jordan, Lionel Messi, Michael Phelps of Novak Djokovic met dezelfde maatstaf te meten.
Maar het is wél zinvol om Pogacar in dat gesprek op te nemen. Want zelfs binnen het wielrennen doet hij dingen die je in geen enkel tijdperk makkelijk vindt. Merckx verzamelde een palmares dat wellicht onbereikbaar is, maar ook hij trof rivalen die hem in de bergen konden uitdagen of hem in de Tour de France konden kloppen. Pogacar bereikt daarentegen een niveau van allround superioriteit dat moeilijk te plaatsen is.
Er is nog een aspect dat vaak onder de radar blijft. Grote atleten hebben meestal jaren nodig om hun definitieve heerschappij op te bouwen. Michael Jordan leed voordat hij de NBA veroverde. Andere kampioenen hadden eveneens een lange leercurve nodig voor ze hun discipline domineerden.
De grootsheid van Pogacar
Pogacar won op zeer jonge leeftijd de Tour de France. Daarna verloor hij twee edities van Jonas Vingegaard. Verre van instorten keerde hij terug als een nog completere renner, zó ver dat hij zijn grootste rivaal tot een duidelijk mindere tegenstander maakte, terwijl bijna iedereen in het peloton niet eens meer in de buurt komt om hem uit te dagen. Dat groeiproces zegt alles over zijn grootsheid.
We hebben het niet over een kampioen die profiteerde van een zwakke generatie. We hebben het over een atleet die werd geklopt door een uitzonderlijke rivaal en antwoordde door zijn niveau nog verder op te schroeven, waardoor de rivaliteit transformeerde in een nieuwe hegemonie.
Misschien kunnen we over tien jaar die grote vraag met meer afstand beantwoorden. Misschien weten we dan of hij werkelijk de grootste atleet aller tijden was.
Wat vandaag echter nauwelijks te betwisten valt, is iets veel simpelers: we zijn getuige van een van de indrukwekkendste staaltjes dominantie die de moderne sport heeft gebracht. En dat maakt Tadej Pogacar, ongeacht zijn uiteindelijke plek in de geschiedenis, tot een voorrecht voor elke sportliefhebber.