Met de eerste kassei-Monument van 2026 – de
Ronde van Vlaanderen – over enkele dagen, richt
Cyrille Guimard de schijnwerpers op één naam:
Tadej Pogacar. Zijn recente triomf in Milaan–Sanremo en zijn onverbiddelijke aanwezigheid voorin wakkeren het debat van het moment opnieuw aan.
De Fransman formuleert het onomwonden
in zijn column bij Cyclism'Actu: “Wie kan Pogacar kloppen?” En hoewel hij rivalen ziet, vindt hij geen sluitend antwoord: “Zijn voornaamste tegenstander blijft Van der Poel, maar hij is niet de enige,” zegt hij, waarbij hij ook Wout van Aert noemt onder de renners die zijn greep kunnen uitdagen.
Gevraagd naar een nog stoutmoediger scenario – alle vijf Monumenten in één seizoen winnen – mengt hij realisme met ironie: “Ik denk niet dat het mogelijk is.” Voor Guimard vergt zo’n huzarenstuk absolute perfectie.
“Er zou geen enkel probleem mogen zijn, geen val, geen ziekte.” Hij rondt af met een knipoog: “Als hij alle vijf wint, moet hij meteen stoppen en op vakantie gaan zodat de anderen kunnen bestaan. Dus dank je, Pogacar… maar win ze niet alle vijf.”
Vlaanderen, een strijd om verstand
Volgende halte is de Ronde van Vlaanderen, waar het duel tussen Pogacar en Mathieu van der Poel opnieuw elke voorbeschouwing domineert. Guimard geeft toe dat het terrein de Nederlander ligt: “Dit zijn koersen die Van der Poel passen, vooral dankzij zijn technische vaardigheden.”
Maar zelfs dat beslecht de kwestie niet: “Wie kan Pogacar kloppen? Misschien Van der Poel, maar hij lijkt een tikkeltje eronder.”
De analyse verschuift ook naar de tactiek, waar de Fransman de blufcapaciteit van de Nederlander uitlicht: “Zijn pokerface is ongelooflijk: hij doet alsof hij kraakt, zijn rivalen twijfelen en hij trapt 400 watt. Gevolg: het gat wordt groter en klaar.”
Over het koersverloop houdt hij zich op de vlakte: “Iedereen verbeeldt zich hetzelfde scenario. Maar wordt het dat ook?”
En hij is helder over waar het verschil zal worden gemaakt: “De winnaar is de sluwste, de rustigste, de slimste, degene die de kleinste fout uitbuit.” Uiteindelijk komt hij toch op hetzelfde uit: “Misschien is Pogacar simpelweg sterker.”
Koersen beginnen in maart
Los van de blikvangers benadrukt Guimard zijn bredere kijk op de kalender. Volgens hem gaat het echte competitieritme nu pas kloppen: “De belangrijke koersen beginnen in maart.”
Na een heen-en-weer met Marc Madiot nuanceert hij zijn standpunt: hij ontkent de waarde van eerdere koersen niet, maar ziet ze als opbouw. “Februari, en zelfs januari, zijn louter trainings- en voorbereidingskoersen.”
Zijn argument steunt op traditie en publiek: “Mensen volgen alleen koersen met geschiedenis,” zegt hij, waarbij hij het gewicht van het Europese wielrennen benadrukt tegenover nieuwere wedstrijden buiten het continent.
Tadej Pogacar won de Milano–Sanremo 2026
Een groeiende dominantie
De grote rittenkoersen in maart hebben nog een andere zorg van hem bevestigd. Guimard vindt de uitkomsten weinig verrassend: “We hebben altijd dezelfde winnaars.”
In zijn vizier: een trio dat het verschil maakt: Pogacar, Van der Poel en Jonas Vingegaard. De consequentie is duidelijk: “De kloof tussen de supersterren en de rest van het peloton wordt groter.”
Hoewel hij de opkomst van jonge talenten erkent, waarschuwt hij dat zij nog niet klaar staan om het evenwicht te kantelen: het tempo van de leiders maakt het steeds lastiger hun hegemonie te doorbreken.
Evenepoel onder het vergrootglas
In contrast met die dominantie roept de situatie van Remco Evenepoel vragen op. Zijn recente vorm overtuigt Guimard niet: “Vandaag is Remco niet op zijn best.”
De Fransman wijst een duidelijk breekpunt aan: “Ik heb de indruk dat alles is ingestort na zijn val in Il Lombardia.” Sindsdien ziet hij een traject vol twijfel: “Hij is een renner die naar zichzelf zoekt, aan zichzelf twijfelt.”
Hij wijst zelfs op gedragswijzigingen: “Op dit moment raakt hij van zijn stuk door futiliteiten. Dat toont dat hij aan zichzelf twijfelt.” Hij besluit met een zweem van spijt: “Jammer, want hij is een echte kampioen.”